Zuid Scandinavië

24 juli 2010 Een normale vakantie (118 km)
Het regent een beetje als ik wakker word. Om 9.00 uur verlaat ik de camping in Otterlo. Het is inmiddels droog geworden en al snel begint de zon te schijnen. Het is niet warm. De lucht is prachtig blauw met witte schaapjeswolken.
Na jaren rondreizen heb ik weer een normaal leven. Dat betekent dat ik een huis heb waar ik woon en een baan. Dat normale leven bevalt uitstekend. Bij zo'n normaal leven hoort ook een zomervakantie. Gisteren was mijn laatste werkdag en na het werk ben ik op de fiets gestapt op weg naar het noorden voor een normale fietsvakantie.
Fietsen op de Veluwe is prachtig. Smalle fietspaden over heidevelden en grind/zandwegen door bossen worden afgewisseld met smalle asfaltwegen langs prachtige bomenrijen.
Ten westen van Apeldoorn kijk ik op een bord met landkaart erop. Er komt een Belgisch stel op de fiets aan. De man vraagt of ik Wilbert T. ben. Ja, dat ben ik. Zijn vrouw vraagt hoe hij toch aan die rare vraag komt. Hij heeft net bij Recycle in Wageningen in het Rohloff-boek mijn naam gezien. Ze hebben beide daar een Avaghon besteld. Ik heb dezelfde fiets en nu willen ze weten of ze een goede keuze hebben gemaakt. Ik denk van wel en vertel ze dat mijn fiets onverwoestbaar lijkt.
Overigens zijn ze wel verbaasd me hier te zien, want bij Recycle werd ze verteld dat ik in Zuid Amerika aan het fietsen ben.
We fietsen samen 10 kilometer verder naar het noorden. Daarna splitsen we op en fiets ik alleen verder naar het noorden. Ik ben op weg naar Emmen. Dat is het begin van de Jutlandroute, die ik wil volgen tot het noorden Denemarken. Er staat een NW-wind. Ik probeer zolang mogelijk naar het noorden te fietsen in de beschutting van de bossen van de Veluwe.
Halverwege de middag verlaat ik de Veluwe en kom in het leuke stadje Hattem. Op een gezellig pleintje eet ik een lekkere salade. Buiten Hattem kom ik voor het eerst in open terrein. Nu pas merk ik dat er een stevige wind staat. Vanaf Zwolle is het op weg naar het oosten heerlijk toeren met de wind schuin in de rug. Af en toe is er een stukje bos, maar het grootste deel gaat door een open landschap met weilanden. De wegen zijn recht. Lange stukken naar het oosten-noord-oosten worden afgewisseld met kleine stukjes tegenwind naar het noord-west-noorden. Rond 17.00 uur doe ik mijn jas uit. Het is 20 graden geworden en in de zon is het lekker warm.
Net na Dedemvaat zet ik mijn tent op op een minicamping. De beheerder vraagt me wat ik normaal op een camping betaal. Ik heb geen idee, maar ik vertel hem dat ik gisteren in Otterlo 8 euro heb betaald. Daarom hoef ik vandaag maar 7 euro te betalen bij de aardige oude campingbeheerder. Later zie ik op het campingbord staan dat ik teveel heb betaald. Dat vind ik wat minder aardig.
Op de camping zit ik lekker voor mijn tent mijn avondeten op te eten. Voor me in de wei vechten een schaap en 2 bokken om het beste gras terwijl 2 lama's staan toe te kijken.
Laat in de avond koelt het flink af. Ik ga ik het "praathok" tv zitten kijken. Op het journaal zie ik dat het vannacht zal afkoelen tot 6 graden en dat er morgen een regenfront verwacht wordt.

27 juli 2010 Jutlandroute, in het spoor van de Vikingen. (113 km)
Na een paar lange fietsdagen ben ik gisteren in Glueckstadt aangekomen. Deze Duitse stad is in het jaar 1617 in opdracht van een Deense koning, met de hulp van Nederlandse water- en stedebouwkundige, gebouwd. Zo staat het in het Jutland fietsroute boekje. In dit boekje staat, naast de routeomschrijving met kaarten, ook allerlei informatie over de geschiedenis en wat er langs de route te zien is.
Op het marktplein geniet ik van een heerlijk ontbijtbuffet in mijn hotel. Voor ik daarna vertrek maak ik nog enkele foto's rond het marktplein. De Nederlandse invloed is duidelijk te zien. Er is ook Deense invloed in deze Duitse stad, maar die herken ik als zodanig niet want daarvoor ken ik Denemarken niet goed genoeg.
Onder langs de dijk van de Stoer fiets ik verder naar het noorden. Het is een leuke landelijke smalle weg. Er staan hier net als gisteren nog veel huizen met een rieten dak. Zoveel huizen met een rieten dak heb ik nog nooit gezien.
Duitsland is een land met veel moderne windmolens. Je ziet ze overal in het groene landschap. Daarnaast zijn hier ook veel zonnepanelen. Op grotere huizen en schuren bij boerderijen zijn hele oppervlaktes vol met zonnepanelen. Ik weet nog niet of ik al die glinsterende daken wel mooi vind.
Na Itzehoe verlaat de route de Stoer en gaat alsmaar verder naar het noorden. Sinds mijn vertrek staat er steeds een NW-wind. Gelukkig is de tegenwind niet al te sterk en er is veel beschutting van bomen.
De route volgt zo veel mogelijk het traject van de Ochsenweg. Van de 14e tot de 19e eeuw trok men vanaf Denemarken met vee over deze route naar de Duitse steden.
Terwijl ik mijn tassen aan het inpakken ben, na een thee met taart pauze, komt er een Gronings stel voorbij fietsen. In het routeboekje zitten kaartjes waarop steeds ongeveer 15 tot 25 kilometer route staat omschreven. Om de paar uur moet ik dus even stoppen om de kaart te wisselen. Dat geldt dus niet alleen voor mij, maar ook voor andere Jutlandroute-fietsers. Zo haal ik het Groningse stel in op de plaats waar onze kaarten verwisseld moeten worden.
De 15 kilometer tot aan het Noord- Oostzeekanaal fietsen we samen. Nadat we met een veer naar de overzijde van het kanaal zijn gegaan houden ze pauze. Ik fiets alleen verder.
Bij het wisselen van het derde routekaartje van vandaag tref ik nog een -iets jonger- stel Groningse fietsers. Ze fietsen sneller dan ik en al snel verdwijnen ze uit het zicht. Iets verderop fiets ik ze voorbij als ze op een bankje langs de weg zitten. Ze halen me weer in als ik een runensteen aan het bekijken ben.
Zo'n 1000 jaar geleden eerden de koningen van Denemarken hun trouwste volgelingen met een grote steen met tekst erop. De steen die hier langs de weg staat is een eerbetoon aan een volgeling die waarschijnlijk in 983 bij de slag om Haitabu is omgekomen.
Net ten zuiden van Schleswig -aan de zuidzijde van de Schlei- ligt Haitabu. Dit was eens een Vikingvesting. Ik ben te laat om het Vikingmuseum te bezoeken. Vanaf de Vestingwal heb ik zicht op het dorp in de vesting. Dat dorp bestaat uit nagebouwde Vikingwoningen.
Bij de Schlei -dit is een Oostzeefjord- zet ik mijn tent op op een druke camping. De weersverwachting was matig voor vandaag. Het verbaast me dan ook dat de hele dag de zon al schijnt. In de tent is het meteen erg heet. In de schaduw is het slechts 20 graden. Na een douche maak ik nog een praatje met het jonge Groningse fietsstel.
Met dit mooie weer wil ik naar Schleswig -aan de andere kant van de Schlei- om ergens in de oude stad of op de oeverpromenade wat te eten. De boot die een zomerdienstverbinding met de stad onderhield blijkt echter verkocht te zijn. Ik heb geen zin om 5 kilometer naar de stad te fietsen. Gelukkig is er naast de camping een typisch Duitse attraktie, waar ik deze reis nog niet geweest ben. En wel de biergarten. Daar drink ik een -0,4 liter- cola en eet er gerookte zalm met aardappelen en salade.
Na het eten maak ik nog een praatje met het oudere Groningse stel fietsers, die inmiddels ook op de camping zijn aangekomen. Ze vonden de camping die eerder langs de route lag niet goed en hadden daardoor wel een erg lange fietsdag om helemaal tot hier te komen.

30 juli 2010 Haervejen (104 km)
Ik word vroeg wakker. Het regent dus slaap ik nog maar verder. Weer word ik wakker. Het regent nog steeds. Ik wil nog langer blijven liggen, maar ik zie dat op één plaats de tent een klein beetje lekt. Mijn slaapzak begint nat te worden bij het voeteneinde. Nu moet ik wel op staan en snel mijn slaapzak inpakken voor die nog natter wordt. Alles wat op de bodem van de tent ligt is vochtig.
Ik sta op een minicamping in Kollemorten. In de keuken van de camping ontbijt ik. Plotseling regent het niet meer. Ik breek snel de tent af. De natte tent stop ik niet in mijn fietstassen, maar in een aparte foudraal die ik boven op mijn bagagedrager leg.
In de korte broek en met een regenjas aan fiets ik verder naar het noorden. De Jutlandroute gaat hier nog steeds in het spoor van het vee. De Ochsenweg heet hier in Denemarken de Haervejen. Het is een populaire fiets- en wandelroute.
De route gaat door heuvelachtig land. Deels fiets ik over grindwegen door het bos. Ondanks de regen zijn ze goed begaanbaar en staan er weinig plassen. Daar waar ik over asfalt fiets zijn het meestal rustige landweggetjes.
Een enkele keer verlaat de Jutlandroute de Haervejen, omdat men hier voor een rustiger alternatief heeft gekozen. Het laatste stuk naar Silkeborg gaat ook niet over de Haervejen. Dit maal fiets ik over een fietspad dat is aangelegd op een oud spoorwegtraject. Lekker snel zonder scherpe bochten of steile beklimmingen fiets ik met de wind in de rug. Het fietspad ligt vol met slakken. Ik probeer ze allemaal te ontwijken.
Langs de route staan veel bankjes, maar nergens zie ik een schuilhut of afdakje. Ik heb geen zin om in de regen mijn lunch op te eten. In het aardige centrum van Silkeborg loop ik een restaurant binnen. Het is zo druk dat mensen in de rij staan te wachten om een tafel toegewezen te krijgen. Ik wil ook nog een tafel waar ik zicht heb op mijn fiets die met alle bagage erop buiten staat. Ik ben bang dat dat wel niet zal lukken, daarom besluit ik verder te fietsen.
Na Silkeborg gaat de weg iets heuvelop en naar het westen tegen de zuidwesten-wind in. Net buiten de stad zie ik een bushokje met bankje. Een prima plek om te stoppen en wat brood te eten. De warme thee uit mijn thermosfles smaakt uitstekend.
Na de late lunch regent het iets minder hard, maar echt droog is het nog steeds niet. Over leuke weggetje vervolg ik de Jutlandroute verder naar het noorden. Het laatste stuk naar het Viborg volgt de route weer een fietspad dat is aangelegd op een oud spoorwegtraject. De route buigt iets naar het oosten af, waardoor ik de westenwind weer lekker in de rug heb.
Net na Viborg ga ik naar een camping. Binnen bij de receptie vind ik het bloedheet. Ik wil zo snel mogelijk weer het koude regenweer in. Maar eerst moet de rekening opgemaakt worden. "Lekker officieel"denk ik. De laatste dagen werd er geen administratie bij gehouden en betaalde ik 40 kronen. Nu ben ik op een "echte"camping, daarvoor heb je in Denemarken een campingpas nodig. Die heb ik niet. Nu moet ik voor 35 kronen een transitpas kopen. Daarnaast betaal ik nog 45 kronen voor een kampeerplek en 74 kronen voor één persoon. Totaal 154 kronen, dat is 21,39 euro volgens de kassabon. Zonder die transitpas is de prijs vergelijkbaar met een dure camping in Nederland.
Na een douche loop ik 2 kilometer terug naar Viborg. Ik heb een Mexicaans restaurant gezien, daar wil ik gaan eten. Tot nu toe ben ik in Denemarken nauwelijks in staat geweest mijn kronen uit te geven. Binnen in het restaurant heb ik het weer bloedheet en wil ik zo snel mogelijk weer naar buiten om in de regen af te koelen.
Maar eerst ga ik heerlijk eten en ook al zit ik vol, ik neem toch nog een nagerecht.

1 augustus 2010 Met de boot naar Noorwegen (76 km)
Gisteren ben ik na een lange dag fietsen iets van de Jutlandroute afgeweken. Op zoek naar een camping ben ik naar Bronderslev gefietst. Achter het bordje camping was een soort opgraving of bouwput. De jeugdherberg die er zou moeten zijn leek ook niet meer te bestaan. Voor 550 kronen heb ik toen maar een hotelkamer genomen in het centrum van deze kleine stad.
In het hotel hebben ze een ontbijtbuffet. Eerst neem ik cornflakes met melk, daarna lekkere verse broodjes. Op één van mijn broodjes wil ik kaas. Hiervoor moet ik een plakje kaas afsnijden met de bijzondere kaasschaaf die ze hebben. Op de kaasplank zit een draaimechanisme met een touwtje eraan. Elke keer als je het rond draait snijdt het touwtje een plakje kaas af.
Na het ontbijt hoor ik bij de receptie een man die gisteren in Hirthals heeft geprobeerd een ticket te bemachtigen voor één van de boten naar Noorwegen. Tot dinsdag was alles vol geboekt.
Ik haal mijn bagage op uit mijn slaapkamer en betaal bij de receptie de rekening. Daar informeer ik ook naar de bootverbindingen van Hirthals naar Noorwegen. Omdat er geen folders meer zijn zoekt de behulpzame receptionist het op internet voor me op. Er zijn 2 maatschappijen die een bootverbinding naar Noorwegen hebben. Colorline vaart op zondag 3 keer per dag. De ochtendboot zal ik met de fiets niet halen, de middag boot is vol geboekt, maar de avondboot zou ik nog kunnen proberen.
Door een bijna vlak open landschap met veel graanvelden fiets ik met een zuidwestenwind in de rug naar het noorden. Al snel ben ik bij Vennebjerg Kirke. Vanaf een heuvel heb ik uitzicht over het vlakke land en de duinen aan de kust. Er is één hoge zandduin -Rabjerg Mile-. Het is jammer dat de fietsroute niet vlak langs deze indrukwekkend hoge duinen op gaat. Maar ik heb ook geen zin om er alsnog naar toe te fietsen. De weg langs de duinen lijkt ook wat drukker dan de weg waarop ik nu zit.
De laatste 20 kilometer gaat de weg door de duinen. In Hirthals fiets ik meteen door naar de terminal van Colorline. Buiten lopen een paar honderd drukke pubers voor het terminal-gebouw. Bij de ticketverkop blijken er toch nog 3 plaatsen vrij te zijn voor de boot van 14.45 uur. Eén van deze plaatsen is voor 625 kronen voor mij. Om 13.00 uur sta ik weer buiten met een ticket. Om 13.45 uur moet ik inchecken. Ik heb dus nog net genoeg tijd om een broodje vis te gaan eten bij de eettent iets verderop.
Op de boot is het een drukke boel van spelende kinderen, schreeuwende pubers en mensen die op diverse plaatsen op de grond liggen. Tijdens de reis halen we een aantal zeilboten in die aan een zeilrace mee doen.
In Noorwegen fiets ik een stukje door het centrum van Kristiansand. Ik maak een paar foto’s van deze aardige stad, maar de enige reden dat ik de binnenstad in gefietst ben is om geld te pinnen. Voor het pinnen van 5000 kronen heb ik geen toestemming zegt de pinautomaat. 3000 Kronen pinnen lukt wel. Ik heb geen idee wat het waard is.
Ik fiets de stad uit via fietsroute 1. Dit is de kustroute naar Begen. In het begin ontbreken er een paar bordjes. Gelukkig heb ik goed op de kaart gekeken en heb iedere keer snel door dat de weg de verkeerde kant op gaat. Met enig zoekwerk vind ik steeds de bordjes die me de stad uit helpen in de goede richting.
Wat een geweldige overgang. Al na een paar kilometer fiets ik over een bergweggetje langs een kabbelend bergbeekje. Rechts van me kijk ik uit over een meer en beboste bergen, links van me is een rotswand.
Niet veel later fiets ik 10% omhoog over een zandpad door een bos. Bij een meertje word het pad al snel weer vlak. In de afdaling rent een vos voor me uit. Plotseling is het dier weer verdwenen. Het zandpad eindigt en ik fiets weer op saai asfalt. De omgeving is echter alles behalve saai. Het is amper 20 kilometer naar de eerste camping langs de route. Deze start van de NSC –North Sea Cycleroad- is geweldig.
Om 20.00 uur ben ik op de camping. Na het douchen kook ik naast de tent water voor een kopje thee. Van mijn laatste stukje blauwe kaas en enkele tomaten uit Denemarken maak ik samen met walnoten uit Nederland een salade. Die salade eet ik op met mijn laatste stuk Vikingbrood uit Duitsland.
Voor het eerst op deze reis heb ik last van een paar muggen en daarom spuit ik me in met deet. Na het eten loop ik nog even naar de fjordenkust.

5 augustus 2010 Missie volbracht (76 km)
Ik ben op de camping van Sola. De camping ligt tussen de zee in het westen en het vliegveld van Stavanger in het oosten. Hiermee heb ik het doel van deze reis gehaald. In twee eerdere fietsreizen heb ik het traject van Stavanger tot de Noordkaaap gefietst. Nu heb ik dus de gehele route van Nederland tot aan de Noordkaap gefietst.
Dit betekent niet dat ik nu stop met fietsen en naar huis ga. De NSC was de afgelopen dagen geweldig. Eerst had ik 2 dagen met veel klimmen en dalen. Vaak ging de weg na het passeren een fjord omhoog. Daarna fitste ik langs enkele meren door de bossen, om vervolgens bij het volgende fjord weer af te dalen naar zeeniveau.
Gisteren begon de dag met enkele grindpaden, die op mountainbike-routes leken. Na al het steile klimmen en dalen volgde een open landschap in de middag. Vanuit de zee liep het land schuin omhoog. In het westen had ik steeds zicht op zee. In het oosten waren de bergen ver weg en daar hingen donkere wolken. Gelukkig fietste ik bijna de hele dag in de zon.
Ik slaap wat langer als normaal omdat het regent. Als het even droog is pak ik de tent in en vertrek. Helemaal droog is het niet, maar het is verder prima fietsweer. De route volgt hier een stukje de drukke 509. Ik fiets wel op een fietspad, maar een rustig landweggetje zonder verkeer is toch leuker.
Net na Tananger verlaat de route wegnummer 509. Ik besluit om de de 509 te blijven volgen. De route maakt een rare lus van 5 kilometer door Tananger om daarna 2 kilometer verderop weer terug op de 509 te komen.
Iets verderop bij vernavik maakt de route weer zo’n lus naar de kust. Dit keer volg ik wel de fietsroute die over een grindpad langs de zee loopt. Het is net alsof ik over een schelpenpad in Nederland door de duinen fiets. Alleen bestaan de duinen hier niet uit zand, maar uit rotsen en het uitzicht over zee is beter. Op een bankje met zicht op zee eet ik mijn ontbijt.
Zo’n 6 kilometer voor Mekjarvik zie ik de boot, die de veerdienst met Skudeneshavn onderhoud, naar Mekjarvik varen. Ik vraag me af of ik de boot nog zal halen voor hij weer vertrekt. Ik heb geen zin om me te haasten. Op mijn kaart zie ik dat er nog 2 stukken met zandpaden zijn voor de haven.
Om 11.00 uur ben ik in Merjavik. De boot staat op het punt te vertrekken naar Kvitsoy. De boot komt daarna terug om vervolgens om 12.15 uur weer naar Kvitsoy te vertrekken. Dan zal de boot echter doorvaren naar Skudeneshavn.
Terwijl ik wacht maak ik op de kade een praatje met een Nederlands stel, die met de auto op weg naar het noorden zijn. In de wachtruimte eet ik daarna een worstebroodje. Later op de boot lijkt het goede weer van de afgelopen dagen voorbij.
In Skudeneshavn is het droog genoeg om verder te fietsen. Het is een leuk stadje met allemaal houten witte huizen in het centrum. Eenmaal buiten Skudeneshavn begint het weer te regenen.
In een supermarkt koop ik kaas en brood. Brood moet ik zelf in de snijmachine stoppen en in een broodzak doen. Bij de kassa geef ik papiergeld aan de kassiere. Ze stopt het in een apparaat. Muntgeld stop ik in een machine. Het wisselgeld komt vanzelf –alsof ik de jackpot gewonnen heb- uit het apparaat rollen.
Niet veel later zit ik in een bushokje. Het regent te hard om verder te gaan. Ik eet wat brood en drink mijn laatste thee op. Met mijn regenpak aan fiets ik daarna verder naar het noordelijke deel van het eiland Karmoy.
De NSC loopt loopt lang de westkant van het eiland over rustige wegen. Op de kaart zie ik dat de route naar een fjord aan de oostzijde gaat en daarna weer terug naar de westzijde gaat. Eenmaal terug aan de westzijde moet je weer naar een brug aan de oostzijde om het eiland te kunnen verlaten.
Ik maak zelf een route die zo lang mogelijk aan westzijde blijft. Met dit slechte weer voel ik er niets voor om zo’n omweg te maken. Aan de oostzijde van het eiland zie ik een oude kerk op een heuvel staan. Ik vraag me af of dit de rede is waarom de NSC deze omweg maakt.
De brug waarover ik het eiland verlaat brengt me al snel 50 meter boven zeeniveau. Hier moet je geen hoogtevrees hebben. Na de brug fiets ik Haugesund in, na enkele uren van regen ga ik op zoek naar een hotel.
In het hotel wijst de receptioniste me de garage. Dan ziet ze dat ik geen motorfiets maar een gewone fiets heb. Ik mag de fiets mee naar binnen nemen. Ik vind het hotel –en vooral de vloerbedekking- bijna te mooi om mijn viese natte fiets mee naar binnen te nemen. maar ik doe het toch.
Bij het afrekenen vertelt de receptioniste dat ze nog een iets minder dure kamer voor me heeft. In plaats van 800 hoef ik slechts 715 kronen af te rekenen. Mijn kamer op de vierde verdieping is een fraai gerenoveerde ruimte. Buiten blijft het alsmaar regenen. Na een heerlijke warme douche zou ik normaal de stad in lopen om ergens te gaan eten. Hoewel het een leuke stad is blijf ik vandaag binnen. Ik heb genoeg regen gezien vandaag.
Tot nu toe betaalde ik voor het uit eten tussen de 200 en 300 kronen plus 50 kronen voor een cola. En dan had ik alleen een hoofdgerecht. In het hotel is er een buffet voor slechts 145 kronen. Thee en koud drinkwater zijn er gratis bij.
Gisteren was er bij de camping niets verkrijgbaar en bestond mijn avondeten uit een kopje tomatensoep en aardappelpuree uit een pakje. Vandaag heb ik aardappelsalade, verse zalm, eitjes met garnaal erop, feta-kaas, ham, tomaten, gekookte aardappelen, gekookte vis en lasagna. Omdat de notencake me te machtig lijkt na al dat eten, neem ik ijs met vers fruit als toetje.
s’Avonds loop ik toch nog een stukje de gezellige stad in. Al snel begin ik behoorlijk nat te worden van de regen. Door een winkelstraat loop ik snel weer terug naar mijn hotel.

10 augustus 2010 Rallarvegen (108 km)
Ik ben in Flam. Flam ligt aan de zuidzijde van één van de uitlopers van het indrukwekkende Sognefjord. Het vinden van de beste fietsroute van Bergen naar Flam was lastig. De hoofdweg over de E16 heeft een antal gevaarlijke tunnels. Nu is er ook een fietsroute vanuit Bergen naar Flam. Deze staat op routekaarten aangegeven. Het probleem hiervan is echter dat de veerdienst in deze route je van te voren moet bestellen. Het telefoonnummer van deze veerdienst die op de routekaart staat, bestaat –volgens de boekhandelaar die de kaarten van deze route verkoopt- echter niet meer.
Nu wist men bij de tourist-info ook niets over deze bootverbinding. Dat laatste zegt niet zoveel, want ze wisten daar ook niet dat er fietsroutes in deze omgeving bestaan. Bij de tourist-info waren ze zo creatief dat het enige antwoord op mijn vraag hoe ik het beste van Bergen naar Voss –dit ligt op de weg naar Flam- zou kunnen fietsen was dat ik de trein zou moeten nemen. Gezien het feit dat er een bekende fietswedstrijd is van Bergen naar Voss en er ook nog een fietsroute van het nationale fietsroutenetwerk in die richting is lijkt me dit een nogal onnozel antwoord.
Op internet heb ik een fietsroute gezien die slechts 118 kilometer op gaf voor de afstand van Bergen naar Voss. Er stond echter geen routeomschrijving bij. Ik ging ervan uit dat deze route door de gevaarlijke en verboden tunnels heen gaat. Toen ik Bergen uit fietste was ik blij verrast dat er fietsborden richting Voss waren. Het vreemde was echter dat op het moment dat ik voor een tunnel -die verboden is voor fietsers- stond, plotseling niet Voss meer maar Nordheimsund op de fietsborden stond. Toen moest ik dus beslissen of ik door die gevaarlijke tunnel wilde fietsen of niet. Op dat moment was er een Nieuw Zeelandse fietster die zei dat we toch via Nordheimsund moesten fietsen. Dit was een omweg van 60 kilometer langs het mooie Hardangerfjord.
Eenmaal in Voss was er de weg naar Gudvangen. Van hieruit loopt de weg naar Flam door enkele tunnels die verboden zijn voor fietsers. Ik heb gisteren van Gudvangen naar Flam de boot genomen.
Ik ben vroeg wakker, het regent niet. De tent is nat van de overvloedige regenval van afgelopen nacht en avond. In het dal hangen de wolken erg laag. In de hoop dat het zal opklaren fiets ik voor 7.00 uur al het dorp uit.
De weg gaat langzaam omhoog en al snel klim ik door tot in de laag hangende wolken. Het is erg vochtig, soms regent het een beetje. Deze weg is ooit aangelegd ten behoeve van de aanleg van een spoorlijn door de bergen. Met het geluid van stromende bergbeken blijf ik alsmaar klimmen.
Er is niemand op de weg. Deze weg is een bekende fietsroute. Bijna iedereen fietst de weg in de andere richting. Men gaat normaal met de trein omhoog de bergwn in en daalt dan met de fiets af naar zeeniveau.
Na 400 hoogtemeters klimmen eet ik mijn ontbijt op midden op de weg. Het zicht is slechts 100 meter. Het asfalt heeft inmiddells plaats gemaakt voor een zandweg verhard met grind.
De weg wordt een fietspad. Er komen me echter toch 2 auto’s met bouwmaterialen voorbij. Iets verderop laden ze de materialen over op quads. De weg verandert in een steile steenslagweg. Met veel moeite en veel pauzes fiets ik van haarspeld- naar haarspeldbocht.
Stijgingspercentages van 10 tot 20% zorgen ervoor dat ook omhoog lopen met de fiets over de rotsblokken, stenen en grind lastig is. Als ik weer even op de fiets zit komen de eerste fietsers van vandaag naar beneden. Tussen al dat grind en stenen is er maar één goed spoor waar je kunt fietsen. In dat spoor komt een vrouw met beide voeten aan de grond en haar fiets met ingeknepen remmen tussen haar benen naar beneden schuivelen. Hierdoor moet ik door het losse grind en sta ik al snel stil. Ik probeer een paar keer op te stappen, maar het is te moeilijk hier. Ik loop weer een stukje. Daarna wissel ik stukjes fietsen af met stukjes lopen. Het zware gedeelte is maar 2 kilometer, dan sta ik wel 300 hoogtemeters hoger met zware benen en een nat en koud shirt van het zweten.
Na een kleine pas fiets ik langs een meertje. Op de kaart zie ik dat ik de hele dag nog langs meertjes zal fietsen. Elk meertje ligt een stukje hoger tot een pashoogte van 1345 meter. Daarna liggen de meertjes weer steeds iets lager.
Op enkele kleine stukjes steenslag na –die meestal op de klimmetjes liggen- is de zand/grindweg nu weer veel beter. Boven de 1000 meter hoogte maken de wolken steeds meer plaats voor de zon.
Het wordt mooi weer. Ik ben op een soort hooggebergteplateau aangekomen. Er staan geen bomen meer. Er zijn rotsen, mossen, gras en wat lage struiken. Ook zie ik steeds meer sneeuw.
Er komen me steeds meer fietsers tegemoet. Eerst dacht ik “wat een watjes die Noren, nemen ze de trein de berg op en fietsen ze naar beneden.” Maar nu zie ik hele families over deze steenslagweg door het hooggebergte fietsen. Zo zie ik mensen met aanhangwagens met bagage en een enkele keer zelfs een kind erin. Ook zie ik veel ouderen over de soms slechte weg stuiteren en ploeteren. Zo zie ik bijvoorbeeld een oudere vrouw met een soort hema-tassen –niets mis mee overigens- achterop. Daarover hangt een soort handtasje. Ik vraag me af of ze wel fit genoeg is om thuis de trap op te lopen, maar hier fietst ze in het hooggebergte. Ook zie ik ouders met kinderen, waarvan ik denk dat ze vorige week hebben leren fietsen en die nu door hun ouders over het steenslagpad worden gejaagd. Met andere woorden “wat een bikkels die Noren”.
Op 1200 meter hoogte maak ik een praatje met 2 stel Noorse fietsers. Een vrouw van in de vijftig vertelt me dat het nog een heel eind is naar de top van 1345 meter hoogte. Ik zeg dat ik er bijna ben. “Nee”, zegt ze, “het is nog heel ver naar de top”. Ik zeg nogmaals dat ik er bijna ben en leg haar uit dat ik in Flam ben begonnen. En na een klim van zeeniveau naar 1200 meter hoogte, is een klim van 1200 naar 1345 meter hoogte nog maar een klein stukje.
Dan vraagt ze “waarom fiets je niet de andere kant op”. Ik vertel haar dat ik op weg ben naar Zweden en Denemarken. Het is dan niet logisch om naar het noorden te gaan fietsen. “En”, denk ik, “wat maakt één zo´n leuk klimmetje nu weer uit.”
De laatste stukjes bergop naar de pashoogte gaan wat moeizaam door een combinatie van een steile, slechte weg, zware benen en tegenwind. Na de pas gaat het weer gemakkelijk. Bij het station van Finse –op een hoogte van 1220 meter- neem ik een broodje. Het smaakt heerlijk, maar 2 sneetjes brood met brie en salami in een zelfbedieningsrestaurant voor een prijs van bijna 10 euro maakt wel weer duidelijk dat Noorwegen een duur land is. De cola die ik erbij neem kost 5 euro. Gelukkig is het uitzicht over het meer met bergen en gletsjers op de achtergrond gratis.
Na 16.00 uur ben ik terug op asfalt. Wat meteen opvalt is dat de fietsverhuurder aan de overzijde nog ruim 300 huurfietsen buiten heeft staan. En ik dacht dat het nu al druk op de Rallarvegen was. De fietsroute gaat nu verder over de hoofdweg.
Op een berghelling langs één van de vele meren drink ik mijn laatste thee en eet ik een stukje chocolade. Op de kaart kijk ik waar ik vanavond zal overnachten. Ik was al erg vroeg op pad en heb inmiddels al lang op de fiets gezeten. Ik ga in het eerste dorp -dat is Geilo- naar de camping.
Op de camping maak ik een praatje met mijn buren. Aan de ene kant staan er Nederlanders en aan de andere kant staat er een Italiaans stel die met de fiets onderweg zijn. Daarna eet ik in het dorp een slechte pizza bij de pizzeria. Na het eten koop ik in de supermarkt yoghurt. Voor mijn tent maak ik thee terwijl ik de yoghurt op eet.

16 augustus 2010 Einde van de zomer in Zweden (143 km)
Na de Rallarvegen ben ik vanaf Geilo naar het zuidwesten gefietst. Voor een groot deel heb ik fietsroute 5 gevolgd. Dit was een fraaie en makkelijke tocht door de bergen. Drie dagen geleden heb ik de boot van Sandefjord naar Stromstad in Zweden genomen. Op weg naar het zuiden wilde ik de NSC volgen, maar de bordjes van de `Cykelparet`waren helemaal wit geworden of stonden er gewoon niet meer. Ik heb toen zelf een route bedacht. Af en toe kwam ik de routebordjes weer tegen.
Toen ik gisteren in Goteborg aan kwam begon het flink te regenen. Ik heb toen een kamer in een hotel in het centrum genomen. Later –in het begin van de avond- was het weer droog, waardoor ik nog een paar uur door de stad kon wandelen. Op enkele plaatsen in de stad stond een podium waar een band muziek speelde.
In de stad staan veel borden voor fietsers. Ik wil naar Kungsbacka, maar deze plaats staat er niet op. Ik volg daarom de borden naar Moelndals, een plaats of woonwijk aan de zuidzijde van Goteborg. Tot aan de universiteit fiets ik met een student mee, hij legt me uit hoe ik daarna verder moet fietsen. Ook vertelt hij me dat ik beter via Askrim kan fietsen, want dan kom ik op een mooie fietsroute langs de kust. Dat vind ik nogal een omweg. Op de kaart kan ik niet zien hoe hier die fietspaden lopen, maar het lijkt me een omweg van 20 kilometer om dan 15 kilometer langs de kust door allemaal buitenwijken te kunnen fietsen.
Ik fiets liever rechtstreeks naar Kungsbacka. Op één of andere manier lopen hier toch alle fietspaden naar Askrim. Een hlf uur later fiets ik in de stromende regen op dat fraaie fietspad langs de kust. Van alle kustplaatsen die op de kaart staan merk ik weinig. Er staan nog wel vaak huizen langs de route. Al snel sta ik bij één van die huizen onder het afdak voor de garage te schuilen. Het is erg wisselvallig. Regenbuien komen en gaan binnen enkele minuten. Al snel zit ik weer op de fiets.
Ook dat duurt niet lang want al snel begint mijn windstopper door te regenen. Ik verwissel mijn windstopper voor mijn regenjas. In Kungsbacka begint het zo hard te regenen dat ik besluit in het centrum te gaan schuilen. Eerst loop ik een boekwinkel in in de hoop dat ze er betere fietskaarten verkopen dan degene die ik heb. Ze hebben best goede kaarten, maar geen kaart met de NSC erop. Naast de boekwinkel eet ik in een café een broodje met garnalen.
Na het broodje fiets ik in de regenjas weer de stad uit. Ik volg nu de fietsroute `Sverigeleden`. Ik weet dat die route ook naar het zuiden gaat. Steeds vaker staan er ook weer borden van de Cykelparet. Op het moment dat mijn regenjas begint door te regenen schuil ik onder een grote boom voor een rode boerderij.
Een paar kilometer na Fjarbas fiets ik over een natuurlijke dijk. Links kijk ik uit over een natuurgebied met beboste heuvels, rechts kijk ik uit over de kustvlakte met boerderijen en de zee op de achtergrond. In de afdaling splitsen de 2 fietsroutes. Ik volg de Cykelparet. Deze route volgt de kust.
Ik heb een stevige NO-wind in de rug. In het begin van de middag is het overwegend droog. Heel af en toe breekt er zelfs een waterig zonnetje door. Het is bijna 20 graden en erg vochtig. Op een leuk terrasje langs de route eet ik appelgebak met ijs.
Iets na vieren bereik ik in de stromende regen Varberg. Ik schuil op 3 plaatsen heel even in het centrum. Het klaart al snel weer op. Ik fiets meteen verder door naar het zuiden. Er is voor de komende dagen erg slecht weer voorspeld. Ik hoop dat ik zonder dat ik uren lang in de stromende regen moet fietsen in Denemarken zal aan komen. Ten zuiden van Varberg volgt de weg minder kleine weggetjes en fietspaden. Rechts heb ik vaak zicht op zee, verder is het een open landschap met wat graanvelden en weilanden met koeien. Tussen de velden staan houten rode boerderijen.
Om 19,00 uur fiets ik Falkenberg in. Op een plein achter het stadhuis eet ik op het overdekte terras spareribs. Als ik wil afrekenen begint het te regenen. Ik wacht met afrekenen en bestel eerst nog een chocolademousse.
Als ik het restaurant verlaat is het droog, maar als ik 3 kilometer verderop op een camping aan kom ben ik al weer behoorlijk nat geregend. Het is 20.15 uur en de receptie is al gesloten. De zomer is voorbij in Zweden en dus zijn er kortere openingstijden. Er staat wel een telefoonnummer. Bij een kampeerder vraag ik het internationale nummer van Zweden zodat ik dat nummer kan bellen met mijn mobiel. Als ik de beheerder bel vertelt hij me dat ik het terrein niet op mag. Hij zegt dat er 1 kilometer naar het zuiden nog een camping is. Als ik weg wil rijden komt er een Duits stel met de auto aan. Ik vertel dat ze dat ik de beheerder al gebeld heb en dat hij geen gasten meer na 20.00 uur binnen wil laten.
Bij de volgende camping is de receptie ook gesloten, maar er hangt een mededeling dat ik zelf een plekje mag uit kiezen en me morgen vroeg kan aanmelden. Het Duitse stel komt even later ook aanrijden. Zij willen echter een trekkershut –zoals die in Scandinavië op bijna elke camping staan-, dus moeten ze verder gaan zoeken.
Net als ik de buitentent over de binnentent hang volgt er een stortbui. Ik ga schuilen onder het afdak voor het toiletgebouw. Ik let goed op of de tent –die ik nog niet vast gezet heb- niet weg waait. Als de bui over is leg ik mijn natte fietstassen in de tent. Er druipt zoveel water van mijn regenjas en petje dat er al snel een kleine plas met water voor in de tent ligt. Snel pak ik mijn spullen om te gaan douchen.
Voor het douchen moet je met munten betalen. Het kost 1 kroon per minuut. Ik heb een munt van 1 kroon en een munt van 5 kronen. De munt van 5 kronen is te groot en past niet in het apparaat. Ik heb me al uitgekleed en voel er niets voor me weer aan te kleden om dan iemand op de camping te vragen of hij geld kan wisselen. Na 1 minuut heb ik de watertemperatuur goed ingesteld en mijn haren gewassen. Daarna stopt het water. Er komt ook geen koud water uit de douche.
Buiten is het inmiddels droog geworden. Ik droog mijn tent aan de binnenzijde en blaas mijn matje op. Het matje vouw ik op als stoel en ik ga voor in de tent zitten. Ik bedenk me dat ik vandaag erg ver gekomen ben ondanks het slecht weer. Ik ben nog maar een paar dagen in Zweden, maar ik hoop er al weer snel uit te zijn. Het is nog ruim 150 kilometer voor de bootovertocht naar Denemarken bij Helsingborg.

18 augustus 2010 Zeven keer overstapen (50 km)
Ik ben in Helsingborg. Gisteren heb ik weer flink wat regen gehad, maar ik ben tussen de buien door toch nog tot Helsingborg gekomen. Door die regenbuien was ik wel redelijk laat. Ik had ook weinig zin om nog lang naar een hotel te zoeken. Zoals altijd neem ik de eerste de beste kamer die ik kan krijgen. Die was tamelijk duur, maar het was de laatste kamer die er beschikbaar was. De zakenman die voor me was vond de kamer gelukkig te duur zodat ik er kon overnachten.
Het voordeel van zo’n duur hotel is dat ze er meestal een goed ontbijtbuffet hebben. Ik hoop vanavond nog Scandinavië te verlaten. Nu kan ik voor de laatste keer genieten van verse zalm bij mijn ontbijt.
In de regen fiets ik de paar honderd meter naar de terminal waar ik een kaartje moet kopen voor de bootovertocht naar Denemarken. Ik moet de fiets mee in een lift nemen naar de tweede verdieping. Ik koop een kaartje voor slechts 31 kronen. Nu is het voor fietsers niet zo handig geregeld hier. Ik moet eerst een kaartje kopen in de terminal om vervolgens een kilometer verderop buiten aan te sluiten bij de auto’s. Nu sta ik in de verkeerde baan tussen de auto’s die nog geen kaartje hebben. Ik fiets naar de slagboom waar je met je kaartje zo door kunt rijden. Er staat een man die me vertelt dat dit voor fietsers niet werkt. Dus ga ik weer terug in de rij bij de andere auto’s. Ik sluit niet achteraan, maar neem mijn oude plekje weer in. De Italiaan achter me vindt dat niet zo leuk. Jammer voor hem, denk ik dan.
Aan de overzijde schijnt de zon. Ik heb flinke tegenwind, maar ik ben al lang blij dat ik een paar uur mag fietsen zonder regen. Tenminste dat hoop ik. In de verte hangen boven Kopenhagen al donkere regenwolken. Ook in het binnenland en op zee hangen donkere wolken. De kuststrook waar ik fiets is droog en zonnig. De tegenwind valt me mee, gezien het feit dat ik gisteren op tv zag dat er windkracht 8 voorspeld werd.
De kustweg ligt vaak vlak aan zee en daardoor heb ik steeds een mooi uitzicht over de zee en de dreigende wolken. Als ik Kopenhagen in fiets, fiets ik onder een grote donkere wolk door. Maar het blijft droog. Dat duurt helaas niet lang, maar bij Rosenborg is het even droog. Ik stop er om een paar foto’s te maken. Dat had ik niet moeten doen, want de laatste 2 minuten naar het treinstation word ik behoorlijk nat.
Er wordt reclame gemaakt voor de nachttrein naar Nederland waarop je je fiets mee kunt nemen. Op die trein zijn er blijkbaar maar een stuk of 6 fietsplaatsen. Nu alle fietsers in verband met het slechte weer Scandinavië willen verlaten is die trein dus vol geboekt. Na een tijdje zoeken blijkt er geen goed alternatief te zijn. Ik neem de eerste trein. Dit betekent dat ik 7 keer moet overstappen. Ook heb ik vannacht van 2.45 uur tot 4.30 uur een wachttijd in Dusseldorf.
Ik prop mijn natte tent bij de overige bagage in mijn 2 achtertassen. Zo kan ik makkelijker mijn spullen van de fiets af halen als dat nodig is. Op het toilet kleed ik me snel om. Ik vind het maar niets om mijn fiets met alle spullen erop enkele minuten alleen te laten in de drukke stationshal.
Om 15.50 uur vertrekt mijn trein. In de trein is ook Duits echtpaar die van Berlijn naar Kopenhagen zijn gefietst. Ze komen uit Hamburg en we hebben een gezellige avond. Met het overstappen in Fredericia, Padborg en Neumunster is het handig dat we met meerderen zijn. Eén van de treinen heeft een erg grote steile opstap. Nu kunnen we elkaar helpen de trein in en uit te komen.
In Hamburg heb ik weinig tijd om over te stappen. De Duitse fietsers helpen me de trein uit en ik ren meteen door van perron 7 naar 12. Dan moet ik zoeken naar het treinstel waar ik de fiets kan stallen. Dit blijkt niet op de trein te staan, maar op mijn reservering staat in welke wagon ik een plaats heb. Bij de juiste wagon zie ik dat ik door een smalle deur moet. Ik trek snel mijn fietstassen van de fiets en gooi ze in de trein. Net op tijd stap ik met de fiets de trein in. Precies om 22.46 uur vertrekt de trein. Ik probeer wat te slapen, maar het is erg onrustig in de trein.
Met enige vertraging ben ik iets voor 3.00 uur in Dusseldorf. In de perrontunnel is geen goede plaats om rustig te gaan zitten en wat te slapen. Bij een broodjeszaak koop ik twee keer een croissant om de tijd te doden. Ik heb het koud. Bij een hamburgertent ga ik binnen zitten zonder wat te bestellen. Om 4.32 uur vertrek ik met de S-bahn naar Moenchengladbach. In Moenchengladbach stap ik op de trein naar Venlo. Hij vertrekt niet, niemand weet waarom. Ik val in slaap. Plotseling stopt de trein en word ik wakker. Ik vraag iemand in het Duits waar ik ben. In Venlo, luidt het antwoord. Ik heb niet eens gemerkt dat we vertrokken zijn. Door de vertraging heb ik de aansluiting op de trein naar Nijmegen gemist, nu heb ik tijd om even een kopje thee te drinken bij een winkeltje. Om 7.30 uur ben ik in Nijmegen. Voor ik naar huis fiets koop ik bij de AH op het station brood en kaas voor mijn ontbijt. Een kwartier later ben ik weer thuis.